Geschiedenis van Oost-Friesland van 1200 - 1815



Het wapen van Oost-Friesland

 

Onze voorouders

De eerste ons bekende voorouder is Berends Jacobsen, die omstreeks 1700 geboren werd, in Groningen, Friesland of in Oost-Friesland.

Wat deden zijn ouders en voorouders? Waren ze ook schippers, vissers, landbouwers, of piraten, of walvisvaarders?

Onze voorvaders Jacob en JanJacobs de Grootverhuisden van het welvarende Altona naar het eiland Juist, dat toen een korte periode van welvaart kende. In de tijd dat zij op Juist gewoond hebben was het eiland merentijds in bezit van Pruisen.

Voor zover wij hebben kunnen nagaan spelen de eilanden in de geschiedenis van Oostfriesland geen enkele rol. Eén keer wordt een relatie gelegd met heersers in Oostfriesland en wel Widzelt tom Brok en Folkmar Allena, die in 1398 de eilanden Borkyn, Just, Burse (Buise) en Osterende kregen.
Juist was aanvankelijk deel van het eiland Bant, dat door de Marcellusvloed van 1362 gesplitst werd. Juist en Nordeney (Osterende) waren nederzettingen die tot het oostelijke deel van Bant behoord zouden hebben.

Ver daarvoor moet dit eiland tot het vasteland behoord hebben, toen de grenzen van de Noordzee veel verder noordelijk lagen en wel tot aan het noorden van Denemarken toe.
Voor het begin van de eerste aanleg van dijken en inpolderingen op het vasteland van Oost-Friesland  (vanaf het jaar 1000 duidelijk herkenbaar) moet het zo geweest zijn dat men makkelijk over de prielen van de eilanden naar het vasteland kon komen.

Maar voor de Juistenaren was het vasteland natuurlijk van groot belang. Ze werden geregeerd vanaf het vaste land, ze exporteerden er hen schelpen (voor de kalkproductie) heen, voor zover ze het konden betalen kwamen de noodzakelijke goederen er vandaan en voor onze zeevarende familieleden (en dat waren ze bijna allemaal) waren de havens in Oost-Friesland van belang.De maritieme geschiedenis van Juist en onze voorvaderen daar is nauw verbonden met de maritieme geschiedenis van Oostfriesland. Daarom in deze website een korte geschiedenis van Oost-Friesland. In het hoofdstuk "De Oostfriezen als zeevarend volk" zullen we uitvoerig hun maritieme geschiedenis beschrijven.

De taal

In onze hoofdstuk over Altona schreven we al iets over de taal die gesproken werd. Om de geschiedenis van Oost-Friesland te begrijpen moeten we iets meer zeggen over de taal die gesproken werd. We herhalen hier het kaartje dat we al eerder gebruikten:

In de late middeleeuwen strekte zich over een grote breedte langs de kusten van de Noord- en Oostzee het Nederduitse taalgebied uit, een gebied dat in het zuidwesten begrensd werd door de rivier de Somme en zich in het oosten uitstrekte tot ver voorbij Dantzig. De taal waarmee men elkaar kon verstaan was het Nederduits, of: het Nedersaksisch. D.w.z. het was niet één taal, maar het waren verwante dialecten. Het Fries dat oorspronkelijk gesproken werd, werd geleidelijk vervangen door het Nedersaksisch In het westelijke deel van Oost-Friesland was de invloed van het Nederlands groot. Midden 16e eeuw komt dit deel, met steden als Eden en Leer, sterk onder invloed van de politieke ontwikkelingen in Nederland. Het calvinisme wordt de dominante godsdienst, met dominees die in Groningen opgeleid zijn en het Nederlands wordt als taal van school en kerk ingevoerd.Nderlands was de voertaal van handel en burgerlijk bestuur. De oostelijke streken waren in deze periode luthers geworden en daar sprak men hoogduits. Deze religieuze en taalkundige scheiding heeft lang de relaties bepaald binnen Oost-Friesland. Pas onder Hannoveraans bewind werd tussen 1830 en 1870 het Nederlands geleidelijk door het Duits vervangen. De huidige spreektaal in Oost-Friesland is nog steeds een Nedersaksisch dialect, al wordt het steeds minder gesproken. Het is nauw verwant aan het Gronings.

 

Het gebiedIn

Als we het hebben over Oost-Friesland: over welk gebied hebben we het dan nu en vroeger?

Niedersachsen   Oostfriesland

Oost-Friesland betreft het gebied tussen Ems en Weser, incl. de eilanden van Borkum t/m Wangerooge. In het zuiden grenzend aan wat later Pruissen ging heten.

Aanvankelijk strekte Friesland zich uit van het gebied van Noord Vlaanderen (Brugge) tot de Weser. West-Friesland was later het gebied ten westen van Groningen. De geschreven geschiedenis van Oost-Friesland is niet ouder dan 1200 jaar.

Wel is één en ander over vroegere tijden bekend uit Romeinse geschriften.

Naast de landbouw op het vasteland is het tourisme op de eilanden een belangrijke bron van inkomsten. Maar het is een dun bevolkt gebied, economisch zwak, met een hoge werkloosheid, veel jongeren die wegtrekken. Vergelijkbaar dus met de problemen in het Nederlandse Oost-Groningen.


 

De vroege geschiedenis van Friesland  (Romeinse en begin Frankische periode)

De Romeinen waren niet erg succesvol in hun pogingen om Friesland (west- en oost) te veroveren. Het was moerasgebied, veengrond, voortdurend overstromingen vanuit zee. De Romeinen met hun zware wapenuitrusting moesten het dus meestal afleggen tegen de Friezen, die in hun gebied heer en meester waren. Het rechtvaardigheidsgevoel, de vrijheidsdrang en trots van de Friezen was toen al aanwezig.

Men woonde op terpen en leefde van de visserij (met de hand gevangen, gebruikmakend van de getijdenbewegingen), landbouw en  van de zoutwinning.  Daarbij was het eiland Bant een belangrijk centrum van de zoutwinning. Ook Oostfriesland is het toneel geweest van grote volksverhuizingen: Waarschijnlijk komen de Oostfriezen uit het westen (Leeuwarden was ooit de hoofdstad van de Friezen) en hebben de Chauken en Franken verdrongen. Eerst vanaf het begin van de 6e eeuw bevond Friesland zich met zekerheid in handen van Friese hertogen en koningen. Utrecht was hun hoofdstad (koning Radboud rond 700).

Oost-Friesland in het Frankenrijk

In 734 werd West-Friesland veroverd door de Franken en definitief gescheiden van Oost-Friesland. De grens liep bij het huidige Lauwersmeer. De provincie Groningen en al het land ten oosten daarvan, langs de kust, werd nog niet veroverd. Dat gebeurde in 783 wel en vanaf dat moment was ook Oost-Friesland onderdeel van het Frankische rijk onder Karel de Grote, maar met een door hem erkende grote mate van zelfstandigheid vastgelegd in de “Lex Frisionium”. Hiermee kwam een einde aan het hertogdom en daarmee ook een einde van Oost-Friesland als een staatkundige eenheid. Tevens begon nu de kerstening van Oost-Friesland, maar dat zou een paar eeuwen duren.



 

Vrije boeren

Friezen waren vrije boeren, die slechts aan de Frankische koning verplicht waren. Zij hadden hun eigen rechtsregels en vertegenwoordigers van de grafen waren de Schulzen (soort dorpsburgemeesters) die uit de eigen gemeenschap gekozen waren. Het Volksrecht was maatgevend. Binnen het Frankische keizerrijk was het gehele gebied tussen Jade en Eems in de 13e eeuw dus een land van vrije boeren. Geen ridders en leenheren, geen onvrijen.  Een volledig zelfstandige staat.

De geschiedschrijver Ubbo Emmius (de oprichter en 1e rector van de universiteit van Groningen) hierover:

 

"Sie bilden einen völlig selbständigen Staat für sich, diese Anwohner des deutschen Meeres; eine freie Republik, und das völlig losgelöst vom übrigen Deutschland. Nur die Persönlichkeit des Kaisers vermittelte eine gewisse lockere Zusammengehörigkeit, denn den Kaiser, aber auch nur ihn erkennen die Friesen als ihren Herren an. Freie Männer sind sie und rechtlich alle gleich.

Sie regieren ihre Republik selbst in eigener Souveränität, die voll und ganz beim Volke liegt. Sie treten in bestimmten Perioden, an bestimmten Tagen oder auch, wenn es die Not verlangt, in auBerordentlicher Weise zu Volksversammlungen zusammen.

Dort, an einem von altersher geheiligten Ort, unter dem schirmen den Dach alter Eichen, beraten sie gemeinsam über das Wohl und Wehe des ganzen Staates, über Krieg und Frieden, über staats- und privatrechtliche Angelegenheiten und über Ruhe und Ordnung im Innern. Dort wählen die freien Männer ihre Vorsteher auf eine bestimmte Zeit, ihre Anführer daheim und im Felde, ihre Potentaten, welche Ruhe und Ordnung im Innern aufrechterhalten. Sie beraten über die Einhaltung und Respektierung der Gesetze und des Rechtes.

Niemandes Leute sind sie, sie wissen nichts vom Lehnsverband, von Vasallentum. Niemandem zahlen sie Abgaben, wie die armseligen Menschen drüben im Reiche. Keinem Herren sind sie zur Heerfolge verpflichtet, selbst dem Kaiser, ihrem Schirmvogt, leisten sie nur dann Heerfolge, wenn er sie besonders darum bittet und wenn es ihnen alsdann gefällt.
Seit unvordenklichen Zeiten ist dies in Friesland so gewesen. Von den ersten Vorfahren haben die Friesen des Mittelalters ihre freie republikanische Staatsverfassung ererbt: Karl der GroBe hat sie ihnen verliehen ob ihrer groBen Verdienste um das Reich. Seine Nachfolger auf dem Thron haben es ihnen mit Brief und Siegel bestätigt.

In glänzenden Waffentaten haben die Friesen ihre Freiheit gegen jeden auswärtigen Eroberer verteidigt und volle 600 Jahre behauptet." (Siehe Ubbo Emmius: De Frisia et Frisiorum republica, Leiden 1626; und: Rerum Frisicarum Historia, Leiden 1616).

Der Platz, an dem sie sich versammelten, war der Upstalsboom nur wenige Kilometer westlich von Aurich. Hier hatten sich bereits um 1156 die friesischen Bevollmächtigten versammelt, um die 17 Küren und später die 24 Landrechte zu vereinbaren. Hier versammelten sie sich wieder 1323, um die Leges Upstalsbomiae zu verkünden und ihre "iurati -Geschworenen" zu wählen, die die Wahrung des friesischen Landrechts zu überwachen hatten.

 

Ubbo Emmius

 


 

De scheiding in West- en Oostfriesland

Vanaf 1289 werd de al losse band met West-Friesland beëindigd toen  West-Friesland opging in het graafschap Holland en een Nederlandse provincie werd, liggend tussen de Zuiderzee en de Lauwers.  De Ommelanden werden samengevoegd met de Nederlandse provincie Groningen. Oostfriesland is van nu af aan alleen het deel tussen de Eems en de Jade, in het zuiden grenzend aan Saksen.. Het Friese recht werd versterkt, bondgenootschappen werden onderling gesloten, er werd een gezamenlijk rechtssysteem opgezet en de Schulzen werden vervangen door Redjeven (Fries voor Raadgever), die de gerechtelijke, politieke en militaire macht uitoefenden. Maar de Oostfriezen waren onderling geen hecht volk. Talloos zouden in deze en de komende eeuwen de onderlinge gevechten zijn, waarbij het wreed toeging. Roof- en veroveringstochten waarbij dorpen en steden met de grond gelijk gemaakt werden.

De komst van de Häuptlingentijd (= hoofdeling. Oorspronkelijk een gekozen leider bij de Germaanse volken. Het was geen adellijke titel, maar betekende "belangrijk persoon") In de loop van de geschiedenis werden hoofdelingen invloedrijke personen en families die veel land bezaten en bestuurlijke en politieke macht uitoefende) betekende niet een vermindering van de rechten van de boeren. Een van de eerste Häuptlingsfamilies was het geslacht tom Brok, dat ook Juist bezat en hun macht werd daar vertegenwoordigd door Inselvögten. Geleidelijk aan trokken de Häuptlingen steeds meer macht naar zich toe ten koste van de bevolking. De 15e eeuw werd gekenmerkt door onderlinge strijd tussen de Häuptlingen: plunderingen platbranden van steden, burchten, boerderijen. Wisselende bondgenootschappen, al of niet met steun van de keizer. De Häuptlingentijd duurde tot halverwege de 15e eeuw.

Victualiënbroeders

De victualiënbroeders waren een groep zeevarende kapiteins die in de Zweeds-Deense Oorlog van 1389-1395 de Zweedse hoofdstad Stockholm van levensmiddelen voorzagen. Na het einde van deze oorlog werden ze zeerovers (Likedeelers) en als zodanig beschermd door de Oostfrieze Häuptlingen in ruil voor een deel van de buit. Ze vonden toevluchtsoorden in een aantal Oostfriese havens (Greetsiel, Emden en Marienhafe dat toen nog aan zee lag). Ze plunderden de rijke koopmansschepen van de Vlaanderenroute en schepen van de Hanzevloot. Onder deze kapiteins was Störtebeker een bekende piraat. Uiteindelijk werden deze Likedeelers” verslagen door vloten van de Hanze en schepen uit Hamburg en Lübeck. Störtebeker zou uiteindelijk gevangen genomen en terecht gesteld worden in HamburgDeze piraterij duurde tot 1402 en zou later weer beginnen (1442 tegen de handel uit Emden). De piraterij werd ook ingezet tussen de Häuptlingen onderling, die elkaar over land en zee bevochten.



De Rijksleen Oost-Friesland

 

In 1529 kwam Enno II als regent van Oost-Friesland aan de macht. Hij was degene die de Reformatie doorzette en Roomse bezittingen in beslag nam en kloosters plunderde. Dat betekende ook de vernietiging van de kloosterarchieven. Ondertussen ging ook in deze tijd de strijd tussen machthebbers in Oost-Friesland gewoon door. Men bevocht vooral elkaar.

Vanaf 1554 werd de eerste rijksgraaf namens de keizer benoemd en daarmee kreeg het geslacht Cirkena een belangrijke positie. Deze periode bracht geen einde aan de onderlinge twisten. In deze periode ook strijd om de positie van Emden. Conflicten tussen Emden en de oostfriese graven, waarbij Groningen een bemiddelende rol speelde. De conflicten gingen over het stapelrecht van Emden, dat alle schepen dwong hun lading eerst in Emden uit te laden en te koop aan te bieden voordat ze verder konden varen tegen tolbetaling.

 

 


 

Terpen, dijken en sluizen in Oostfriesland

Rond 900 begon men met de systematische aanleg van dijken en inpolderingen. Daarvoor wierpen de bewoners terpen (in Duits: Warfen) op voor bewoning. Dit was al zo in de Romeinse tijd. Ook op het eiland Bant werden terpen opgeworpen. Aan de kust werden in totaal 83 sluizen gebouwd
De aanleg van dijken betekende de grootste verandering aller tijden aan de Noordzeekust. Het was het cultuurwerk van de Friezen. De aanleg van dijken en vooral de grote stormvloeden betekende de definitieve scheiding tussen de eilanden en het vasteland. De schrijver Kurowski daarover:

die Zeiten, da sich die Bewohnerinnen der kleine eilanden vor der Küste auf ihren Backschaufeln (= bakkerschoppen) das frisch gebackenen Brot über die Priele, die sie trennten, zureichen konnten, war für immer voorbei”.


De grote stormvloeden van de Middeleeuwen en de Kerstnachtvloed van 1717 schiepen de grote bochten: de Dollard, de Leybucht en de Jadenbusen. Deze stormvloeden scheidden in de 12e en 13 eeuw het eiland Bant in meerdere eilanden, waaronder Juist.

De aanleg van dijken, inpolderingen en veenwinning vonden uiteraard ook plaats in Westfriesland en het Groningense land rond de Dollard. Het stroomgebied van de (Wester-)Eems heeft zich in de loop van de eeuwen als volgt ontwikkeld:

 

Dollard


De ontwikkeling van de Dollard


Ooit was het een woest zeegebied dat bekend stond om de "dolle aard"van deze zeeboezem. Tot aan het begin van de Middeleeuwen stroomt de rivier de Eems door een uitgestrekt veen- en kwelderlandschap. De mensen dier er wonen verweren zich vanaf de vroege ijzertijd tegende opdringende zee door het aanleggen van de eerste dijken. Ondanks de aangelegde dijken breekt vanaf de 13e eeuw de zee een aantal malen door. Maar ook doordat de landeigenaren, net als in Oost-Friesland, in die tijd meer bezig waren met elkaar te bestrijden dan samen het hoofd te bieden aan de opdringende zee. Men zag er geen been in om af en toe een dijk door te steken of een sluis te vernielen. Het is uiteindelijk de stad Groningen die in de 18e eeuw haar Ommelanden dwingt samen te werken om het land tegen de zee te beschermen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

De stad Emden

Voor de schippers van Juist zijn een aantal havens aan de Oostfriese kust van belang geweest: Marienhafe en Esens, toen deze nog aan zee lagen, waarschijnlijk Greetsiel, maar zeer zeker Emden. Emden was ooit de grootste haven in Europa. Men voelde zich zo machtig dat men zich niet wilde aansluiten bij de Hansesteden. Later, toen Emden in belang afgenomen was, mochten ze er niet meer bij.

Aan het einde van de 14e eeuw schonk Emden de victualiënbroeders het recht om hun buit op de markt van de stad te verkopen. Dit besluit leidde in 1402 tot een beleg van de stad door Hamburg, die veel last hadden van deze piraten. Pas in 1431 slaagde Hamburg er in de stad te veroveren en bezet te houden tot 1453. Daarna kwam Emden in handen van Ulrich I Cirksena, die door keizer Frederik III van het Heilige roomse Rijk tot graaf van Oostfriesland benoemd werd.

Emden was ten tijde van de Reformatie een toevluchtsoord voor vluchtelingen uit vele landen, waaronder de Nederlanden tijdens de Spaanse bezetting. Het inwonertal nam daardoor toe tot 6000, die met 600 grote en kleine schepen handel dreven. De inwoners van Emden wisten door de eeuwen heen heel goed hun eigen belangen te dienen. Tot 1545 waren er voortdurende conflicten met de andere Oostfriese gebieden, maar vanaf dit jaar was Emden definitief Oostfries, doordat men alle openstaande schulden aan Hamburg afgelost had en gravin Anna nu de regentes van Emden was. Regelmatig had Emden te maken met kapers, o. a. uit Frankrijk en Schotland.

Emden en Groningen

Tussen Emden en de Nederlandse provincie Groningen waren er door de eeuwen heen herhaaldelijk conflicten over de hegemonie op de Eems (m. n. rond 1547-1558). De stad Groningen was slechts te bereiken via het Reitdiep en de moeilijk te bevaren Waddenzee.
Aan de Eems had zij aan de zee liggende havens, waarvan Delfzijl de belangrijkste was. Emden beschouwde de Eems als haar vaargebied, legde daarop ook vaarbakens aan, evenals op het eiland Borkum en schepen moesten tol betalen aan Emden. Volgens Emden behoorde de Eems slechts zover aan Groningen als een man die aan de Groningse oever stond een hoefijzer werpen kon.

In het midden van de 16e eeuw behoorden  zowel Emden als Groningen tot het Habsburgse huis onder keizer Karel V. Conflicten over de door Emden opgelegde belastingen werden tussen Groningen en Emden uitgevochten.

Emden kende het stapelrecht en inde belastingen van schepen die voorbij voeren en het z.g. Tonnengeld: belastingen t.b.v. de bakens en tonnen die lagen op de Eems, maar die Emden ook uitgelegd had op de Noordzee, bijv. boven Terschelling, Rottum en de Oostfrieze eilanden. In het stadsarchief van Emden bevinden zich vele documenten over de inning van dit Tonnengeld, o.a. de correspondentie met Nederlandse havens.

Emden profiteerde regelmatig van (handels-)oorlogen tussen de Nederlanden en Frankrijk of Engeland. O.a. in de periode 1563-1564, toen Engelse kooplieden van Antwerpen naar Emden kwamen.
Emden had veel last van de piraterij door de Nederlandse Geuzen. In mei 1584 kwamen afgevaardigden van de prins Willem van Oranje en de Staten-Generaal naar Emden om de stad te waarschuwen voor Spaanse aanvallen op de stad. Volgens de afgevaardigden lagen de schepen op de Eems om een Spaanse bezetting van Groningen te verhinderen. Een delegatie van Emden ging naar Den Haag om daar opnieuw te praten over de piraterij, maar de toen gemaakte afspraken hadden geen gelding meer na de moord op Willem van Oranje in 1584. De Hollandse vloot op de Eems werd alleen maar sterker en de piraterij ging nog jaren door. Later met het argument dat de Oostfriezen de blokkade van Groningen doorbroken hadden door de Spaanse bezetters van Groningen van proviand te voorzien.

De Nederlanden en Oostfriesland

Ten tijde van de 80-jarige oorlog was er een intensieve relatie tussen de Nederlanden en Oostfriesland en dan m.n. Emden. Zo hielp Emden met de opbouw van de reformatorische kerk in Groningen, nadat deze provincie door de Nederlanden op de Spanjaarden veroverd was en leverde de Nederlanden een strijdmacht aan Emden toen deze in 1602 in conflict verkeerd met graaf Enno III, de toenmalige heerser in Oostfriesland, dat alles met Emden als deel van het toenmalige Duitse keizerrijk.

In vervolg op voortgaande conflicten werd Oostfriesland bijna een provincie van de Nederlanden in de tijd van Johan van Oldenbarnevelt.  De Nederlandse strijdmacht bleef tot 1605 in Emden, maar dat betekende niet het einde van de Nederlandse bemoeienis. Het was van belang om Oostfriesland als steunpunt tegen de Spanjaarden te hebben. De Nederlandse troepen, bleven daarom ook, ondanks dat de Oostfriezen en Emden om hun vertrek verzochten. Zij oefenden een waar schrikbewind uit onder leiding van graaf von Mansfeld . Dit speelde zich af ten tijden van de 30-jarige oorlog. Eerst in 1627 werd een neutraliteitsakte ondertekend onder de voorwaarde dat ook

Spanje een zelfde verklaring zou afgeven. Oostfriesland had in die tijd met de ene bezetting na andere  te maken (Hessen, Zweden, Nederlandse troepen), maar bleef ook onderling sterk verdeeld. O.a. omdat Emden alleen maar voor haar eigen belangen zorgde. Vanaf 1677 werd de Nederlandse bemoeienis met Oostfriesland echter stap voor stap terug gedrongen door keizer Leopold. De positie van de Nederlanden werd overgenomen (vanaf ±1682) door Friedrich Wilhelm von Brandenburg, de “grote Kurfürst”. Maar ook daarna bleef er bemoeienis van de Nederlanden met Oostfriesland.

Mede op hun verzoek waren er diverse bemiddelingspogingen in de burgeroorlogen in Oostfriesland en conflicten met Brandenburg. (o.a. in 1727). Eerst in 1744 kwam er een definitief einde aan de aanwezigheid van Nederlandse troepen in Emden, toen Oostfriesland en daarmee Emden deel gingen uitmaken van het Pruisische rijk onder Friedrich II.

In de jaren '80 deed zich tussen Emden en de Nederlanden nog een conflict voor over de haringvangst en –handel. De Nederlanden probeerden te verhinderen dat Emden een groot aandeel in de haringvangst zou krijgen. Tevergeefs, want haring was een te geliefd volksvoedsel en de toenmalige keizer beantwoordde de pogingen van de Nederlanden door een importverbod op haring uit Nederland


Met de komst van de Kurfürst van Brandenburg begon voor Emden een nieuwe periode van opbloei. De schepen uit Emden gingen onder de vlag van Brandenburg varen, maar pogingen van de Kurfürst om een  “Westafrikanische Handelskompanie” op te richten, mislukte door toedoen van de Nederlandse Staten-Generaal die de plannen van de Kurfürst dwarsboomden en voor Afrika het monopolie opeisten. Dat verhinderden Nederlandse werven niet om schepen te bouwen voor de Kurfürst, die vervolgens o.a. ingezet werden om Nederlandse kapers te bestrijden. Uiteindelijk verloor de Kurfürst de concurrentie om Afrika met Nederland. De compagnie werd in 1711 opgeheven en de handel op Guinee vanuit Emden werd overgenomen door Nederlandse schepen. In 1751, het begin van het Pruisische tijdperk dat tot 1945 zou duren, werd er door Friedrich II opnieuw een Aziatisch-Indische compagnie opgericht. Deze keer zorgde men ervoor dat de Pruisische schepen niet tegengehouden werden door de Nederlanden. Nederlandse zeelieden die voor de VOC gediend hadden mochten echter niet aanmonsteren op schepen die onder Pruisische vlag naar Indië gingen. Friedrich II wilde van Emden dé grote zeehaven van Pruisen maken.

Rond 1780 woedde de eerste Nederlands - Engelse oorlog. Veel Nederlandse schepen en families weken uit naar Emden en gingen onder de, neutrale, Pruisische vlag varen. Zo ook familieleden van ons. Van een van hen werd zijn schip in beslag genomen door een Engelse kaper, maar omdat hij kon aantonen dat zijn schip onder Pruisische vlag voer, kreeg hij z'n schip terug met een schadevergoeding. Het aantal in Emden geregistreerde schepen steeg van 200 naar 600. Gevaren werd er o.a. naar Suriname, China,  Batavia Dit duurde tot 1783 (de Parijse Vrede). Daarna ging het met de zeevaart uit Emden weer bergafwaarts, maar niet met de Oostfrieze economie.



De Franse tijd

De afgezette Franse koning Louis XVI werd gevangen gehouden door het revolutionaire bewind. De Oostenrijkse keizer en Pruisische koning tekende de verklaring van Pillnitz. Hierbij riepen ze de andere Europese grote mogendheden op om in te grijpen als de Franse koning Lodewijk XVI in gevaar zou komen. De Nationale Grondwetgevende Vergadering van Frankrijk zag de verklaring van Pillnitz als een verkapte oorlogsverklaring, en greep dit argument aan om op 20 april 1792 de oorlog te verklaren aan Oostenrijk en haar bondgenoten. Na de oorlogsverklaring van Frankrijk aan Oostenrijk koos Pruisen de kant van Oostenrijk en Engeland en de Nederlanden. Pruisen kon deze oorlog niet volhouden en sloot in 1795 met Frankrijk een separaat vredesverdrag. Pruisen en daarmee Oostfriesland waren daarna neutraal. De handel met Frankrijk werd vrij gegeven en toen Engeland de havens van de Nederlanden dat door de Fransen bezet was, blokkeerde, trokken Nederlandse schippers naar Oostfriesland om daar onder de neutrale Pruisische vlag te varen. In Norden bijv. werden tot het midden van 1795 111 Nederlandse schepen geregistreerd. Emden beleefde een ongelooflijke groei. In 1796 werden hier 499 zeepassen uitgegeven. Het aantal zeelieden in Emden nam toe tot tenminste 1500 en waarschijnlijk 1800 personen. Het belang van de haven van Emden nam nog toe nadat de Engelsen de Nederlandse bezittingen overzee in beslag genomen hadden en Nederlandse schepen door Engelse piraten in beslag genomen werden. Ook de havens van Leer en Norden groeiden door de oorlog. Ook de walvisvangst werd door Emden van de Nederlanden overgenomen vanwege de  Franse bezetting. Overigens met behulp van de Bataafse Republiek en met 29 Hollandse schepen.  (1797). 28 daarvan werden tijdens de eerste uitvaart en terugreis door de Engelse piraten in beslag genomen.
In de eerste helft van de negentiger jaren van de 18e eeuw liepen in Emden jaarlijks 570 schepen aan. In 1797 waren dat er 1064 en in 1799 waren dit er 2151. Er vertrokken in deze periode 3402 schepen uit Emden. .
De Engelse blokkade van de Nederlandse havens duurde tot 1800.

In mei 1803 verklaarde Engeland Frankrijk de oorlog en dat betekende opnieuw neutraliteit en hoogconjunctuur voor Oostfriesland In Emden liepen in 1804 1283 schepen aan en 1721 schepen vertrokken. Emden had toentertijd 368 schepen, waaronder 57 haringbuizen. In die tijd hadden ook de eilanden vrachtschepen. Pruisen sloot, op aandringen van Frankrijk, in 1806 zijn havens voor Engelse schepen. Engeland kaapte daarop alle Oostfriese schepen. Emden verloor daardoor het grootste deel van haar handelsvloot.

Na de nederlaag van Pruisen tegen Frankrijk in 1806 marcheerden de troepen van Napoleon Oostfriesland binnen, dat samengevoegd werd met het koninkrijk Holland. Dit gold ook voor de Oostfriese eilanden. De Franse bezetting betekende toen het einde van de Oostfriese zeehandel. De Oostfriezen moesten soldaten leveren voor het Franse leger en ook voor de Franse vloot. Na een opstand in Aurich door 600 jonge mannen werden 300 daarvan uit het kanton Timmel gedeporteerd. Het grootste deel daarvan werden gedwongen op de Franse vloot ingezet. Eerst in 1812 keerden een aantal terug naar Oostfriesland.

Na het einde van de oorlog werd Oostfriesland in 1815 door de koning van Pruisen afgestaan aan Hannover. Een deel van Oostfriesland ging later eerst terug naar Pruisen m.u.v. Aurich. In 1947 werd Oostfriesland deel van de deelstaat Niedersachsen.


 

Literatuur

- "Die Friesen, das Volk am Meer"van Franz Kurowski, uitgave Nikol Verlaggesellschaft mbH & Co. KG Hamburg 2009

- Koggen, Kooplieden en Kantoren. De Hanze, een praktisch netwerk. Hanno Brand & Egge Knol. UItgeverij Verloren, Groninger Museum Hilversum 2009 Groningen

- Westermann, Grosse Atlas zur Weltgeschichte. Georg Westermann Verlag Braunschweig 1976

 

Links

http://www.rhaude.de/napoleon/index.htm

http://www.rhaude.de/napoleon/mititaer/militaerpflicht.htm

 

eindregel

 

top back home

 

 


>