DE TWEEDE PERIODE VAN ONZE FAMILIE GESCHIEDENIS:

 

wapenJuist

 

HET WADDENEILAND JUIST

 

HISTORIE

 

 


DE VROEGE GESCHIEDENIS VAN JUIST    

    

KaartOostFriesland

Vanuit Altona, nu de grootste wijk van Hamburg, trok onze familie halverwege de 18e eeuw naar het Duitse, Oostfriese eiland Juist.

Wat was dat voor een eiland waarop onze familie toen woonde?
Waar ligt het?
Hoe is het ontstaan?
Hoeveel mensen woonden er? Waar leefden ze van?

 

 

 

De Noordzee is nog niet zo oud. Ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd (ongeveer 11.000 jaar geleden), toen de zeespiegel begon te stijgen.

Zo’n 6000 jaar geleden bereikte de zeespiegelstand ongeveer z’n huidige hoogte.

Daarvoor lag de zee zo’n 120 meter lager en was de grens van de Noordzee zo’n 600 kilometer noordelijker dan nu en wel ter hoogte van de huidige, noordelijke punt van Denemarken, en zat Engeland aan het vasteland vast. Veel meer naar het westen of het noorden  stroomden rivieren als de Thames, de Rijn. De Maas en de Elbe in de Noordzee. Doordat de Noordzeebodem zakt stijgt de zeespiegel relatief nog steeds. Over de laatste 6000 jaar zo’n 5 meter.

Van Waddeneilanden was toen dus nog helemaal geen sprake. Dat gebeurde zo’n 8000 jaar geleden, en toen ze ontstonden lagen ze veel westelijker dan nu. Voor Juist betekende dat bijvoorbeeld dat sinds 1650 vijf verschillende kerkvestigingen zijn aan te tonen omdat het eiland zich steeds meer naar het oosten verplaatste. Als mensenhanden niet ingegrepen hadden, dan zouden ze nu nog veel oostelijker liggen.

De Waddeneilanden zijn barrière-eilanden. Ze ontstonden waarschijnlijk op brandingsruggen: hoge zandbanken die onder andere gevormd werden door de branding en die uiteindelijk alleen nog door stormvloeden overstroomd werden. Met het uitzaaien van planten vormde zich vervolgens land.

Eilanden verdwijnen en ontstaan. Zo is Juist ooit onderdeel geweest van een veel groter eiland, samen met Borkum en Norderney, dat in de Romeinse tijd Burkana genoemd werd en later waarschijnlijk Bant. De naam Juist komt voor het eerst voor in 1398 in een oorkonde van Witzel tom Brok, heer van Oostfriesland. Tom Brok was een hoofdmannenfamilie. De naam Juist zou afgeleid zijn van het Friese woord “güst”, wat zoveel zou betekenen als dor, onvruchtbaar. Maar zeker is dat niet.

Wanneer de eerste eilandbewoners op Juist geleefd hebben is onbekend. Het vermoeden is dat aan het begin van de 15e eeuw er een nederzetting geweest moet zijn. Rond 1420 stond er een grote kerk met een toren van zo’n 30 meter lang, die ook als zeebaken diende. Waarschijnlijk heeft dat eerste dorp midden in de duinenrij ten noorden van de huidige Hammersee gelegen. Waarschijnlijk was het zo dat de Middeleeuwse vestiging bestond uit een of twee dozijn meest kleine, houten huizen rond de kerk. Ook is niet bekend of het dorp op een terp lag, zoals dat toentertijd op het vasteland gebruikelijk was

 De eerste teksten over Juist  

EerstetekstJuist

De eerste tekst waarin de naam Juist voorkomt uit 1530

De eerste, bekende tekst over Juist is van de latere Friese kanselier Henricus Ubbius, die in 1530 over Juist schrijft. Het eiland zou zo'n 7 1/2 kilometer lang zijn.

Rond 1560 bewoonden 16 families het eiland en honderd jaar later waren er 23 huizen met zo'n 110 mensen. Woonden de eilanders op terpen, net zoals op het vaste land, of op of achter de duinen? Dat is niet bekend.  Ook is niet bekend of het dorp op een terp lag, zoals dat toentertijd op het vasteland gebruikelijk was.

Juist anno 1590

Tussen 1656 en 1658 verscheen er in Emden een inwonersregister waarin voor het eerst Juister familienamen genoemd werden. In Westende werden 9 huishoudens geteld en in Ostende 14.

Een ooggetuigeverslag uit over het jaar 1660: “Rond de oude kerk stonden het huis van de voogd, de dominee en andere huizen, in totaal zo’n negen. Deze huizen moesten keer op keer verplaatst worden. Hij, Giese Thaden (red.: één van de families die in Ostdorp woonden) 67 jaar oud, geboren op het eiland, en zijn leeftijdgenoten moesten al drie keer hun huis verplaatsen”.

De eerste huizen op Juist waren dus waarschijnlijk volledig van hout. Later werden de huizen gebouwd van wat er op het eiland te vinden was: houten spanten van wrakhout met daartussen vlechtwerk dat met klei en stro bekleed werd. Nog in 1720 waren er maar drie stenen gebouwen op Juist. Pas vanaf het midden van de 18 eeuw werd baksteen gebruikt.

Voortdurend bedreigd

Het leven op de eilanden moet hard geweest zijn. Weinig romantisch aan. De zee was bron van leven, maar ook een voortdurende bedreiging. Steeds weer moest men nederzettingen verplaatsen omdat bij stormvloeden stukken van het eiland afkalfden en eilanders omkwamen. Voor 1650 waren de eilanden al zwaar geteisterd door stormvloeden en die van 1651, de St Petrusvloed, deelde het eiland in tweeën. Daartussenin lag de Hammer, vroeger een weide voor het vee, die bij hoog water onderliep. Op beide delen van het eiland lag een nederzetting.  De oostelijke nederzetting moest naar het oosten verplaatst worden en dat zou zich nog een paar keer herhalen vanwege de voortdurende bedreigingen van de zee, die steeds weer opnieuw oprukte en de nederzetting bedreigde. Het Ostdorf, of Ostende werd de belangrijkste nederzetting. Op het westelijke deel werd de nederzetting (eerst Westdorf, of Westende en later Billdorf genoemd) naar het midden van dit westelijke  deel van het eiland verplaatst. In 1715 werden de eilanden opnieuw door een stormvloed getroffen.

kerkenoverzicht

1ste kerk tot 1651, 2de kerk tot 1715, derde kerk tot 1717

Na deze stormvloed dacht men aanvankelijk dat wonen op het westelijke deel van het eiland de veiligste plek was. De, inmiddels derde, kerk van Juist en de nieuwe pastorie werden hier gebouwd. Deze kerk werd de belangrijkste kerk voor de Juistenaren. Dit bleek 2 ½ jaar later een rampzalige vergissing te zijn geweest. In de nacht van 24 op 25 december van 1717 woedde één van de zwaarste stormvloeden langs de Noordzeekusten (de Heilige Avondvloed). Daarvoor had het dagen zwaar gestormd, maar omdat het Heilige Avond was gingen de eilanders naar hun hoofdkerk in Billdorf.

 De ” Generalsuperindendent” en onderzoeker Petrus Bartels uit Aurich heeft beschreven wat er in die nacht gebeurd is:

"Damals freilich fürchtete niemand etwas, es stürmte zwar aus Nordwest, aber es war zur Zeit des Gottesdienstes niedriges Wasser und noch weit bis zur Hochflut, überdies auch noch keine Springflut. Doch die Weihnachtsflut 1717 spottete aller Berechnung. Einige Bewohner des Ostdorfes hatten sich, an keine Gefahr denkend, noch eine Zeit lang nach dem Gottesdienst auf der Bill festhalten lassen, bevor sie zurückgingen. Noch ehe sie das Ostland erreichten, brauste die Flutwelle daher, nicht wie sonst erst niedrig, dann höher und höher aufschwellend -mit einem Mal war sie da – hoch wie ein Wall kam sie herangebrauscht, bedeckte die nächtlichen Wandererer und wälzte sie den Dünen zu, wo man folgenden Tages ihre Leichen fand. Dan stürmte die Woge weiter und in wenige Augenblicken war das Dörflein auf der Bill ein Trümmerhaufen”.

(Vertaling: Toentertijd vreesde niemand iets, het stormde weliswaar hard uit het noordwesten, maar ten tijde van de kerkdienst was het laagwater en nog lang geen hoogwater, bovendien ook geen springvloed. Maar de Kerstnachtvloed van 1717 spotte met alle berekeningen. Enkele bewoners van Ostdorf, aan geen gevaar denkend, waren nog enige tijd na de kerkdienst op de Bill blijven hangen, voordat ze terug gingen. Nog voordat ze het Ostland bereikten kwam de vloedgolf aanzetten, niet zoals normaal, laag, dan hoger en hoger opkomend- in één keer was ze er- zo hoog als een muur kwam ze aanzetten, bedolf de nachtelijke wandelaars en spoelde ze de duinen in, waar men de volgende dag hun lijken vond. Dan stormde de golf verder op en een paar ogenblikken later was het dorpje op de Bill een ruïne)  

Minstens 28 – 40 Juistenaren kwamen om. De 18 huizen in Billdorf werden volledig verwoest. 5 Families verdronken. De nieuwe kerk en de pastorie werden zo zwaar beschadigd dat herstel niet meer mogelijk was. De overgebleven bewoners moesten Billdorf verlaten en verhuisden naar Loog. Juist was definitief in tweeën gedeeld en zou dat tot ver in de 19de eeuw blijven. Billdorf zou niet meer herbouwd worden. Juist was weer kleiner en smaller geworden. Vanwege de voortdurende bedreigingen van de zee verhuisden de eilanders steeds meer naar het oosten van het eiland. Drie jaar na de stormvloed van 1776 woonden bijna alle eilanders in Ostdorf. In Loog zou uiteindelijk alleen de eilandvoogd blijven wonen.

Nederzetting

 5de kerk op Juist (Ostdorf, 1779)


De nederzettingen

Juist heeft 4 nederzettingen gehad, maar één daarvan is in zee verdwenen (Billdorf) en een ander dorp is opgeschoven naar het oosten (Loog). Een derde, Mitteldorf, bestaat niet meer en daar is ook niets van bekend. 

KaartJuist1651

Het Juist van voor de tweedeling van 1651. Billdorf heette toen nog Westdorf.
Deze kaart is uit 1811, toen Billdorf al lang in zee verdwenen was

  

OudsteZeekaart

Oudste zeekaart van de Oostfriese kust uit 1586 van Lucas Janz Wagenaar.
Juist is nog ongedeeld weergegeven 

  

Zeekaartfragment

 Fragment van een zeekaart uit 1797 uitgegeven door G. Hulst van Keulen. Op de kaart is duidelijk te zien dat Juist nu in tweeën gedeeld is. De Oosterems is de tweede vaarroute naar Emden en gaat tussen Borkum en Juist door (zie de twee stippellijnen)

 

Levensonderhoud  

fuiken

De garnalenvangst: het legen van fuiken

   

vissen

Visvangst op het wad 

De eilanders hielden zich bezig met visvangst en leefden van wat op het strand aanspoelde. De eilanders zijn nooit echt vissers geweest, in de zin dat ze aanvankelijk vissersschepen hadden. Wel hadden ze fuiken en van elke fuik konden zo'n 5 families leven.

Een belangrijke bron van inkomsten waren de strandvondsten afkomstig van vergane schepen en de scheepsstrandingen. De eilanders mochten zelf daarvan slechts een derde deel houden, maar men kon er soms een jaar van leven. Andere inkomstenbronnen waren de jacht op zeehonden en, heel belangrijk, de schelpenvangst ("Schill"). De schelpen werden op het vasteland vermalen, daar tot kalk verbrand en als bouwmateriaal (cement) gebruikt.  

Tot in de 18e eeuw was er nog landbouwgrond op Juist. Vele families hadden vee. In de 16e eeuw stond er zelfs een molen op het eiland. In het midden van deze eeuw waren er 72 melkkoeien, 50 ossen, 76 kalveren, 176 schapen, 287 lammeren, 14 paarden en 10 veulens. De heersende Oostfriese familie Cirkena had tot aan 1628 een stoet van zo’n 100 paarden op het eiland. Ook waren er wilde paarden die geëxporteerd werden. De omvang van deze veestapel was desastreus voor het behoud van de duinen. De begroeiing daarvan werd vertrapt en mede daardoor, naast de schade door konijnen en de schade die tijdens de stormvloeden ontstond, werden de duinen door de zee verzwolgen en daardoor verziltten de weilanden.  

Het verdwijnen van de landbouw op het eiland was er de oorzaak van dat de Juistenaren gingen varen. Als schipper op vrachtschepen, of als knecht (zo heette een matroos toentertijd) op de walvisvangst. Ze deden zo in korte tijd veel ervaring op, die ze in de daarop volgende jaren tot gezochte stuurlieden en kapiteins maakten. Op de walvisvangst, die vanaf 1713 vanaf Borkum ondernomen werd, verdienden ze veel en waren zo in staat eigen schepen te kopen. Schepen konden in eigendom verworven worden doordat de Berliner Bank in Emden een bank opende waar men geld kon lenen. De meeste mannen op Juist werden schipper.

Een bericht uit 1756 meldt: “Met uitzondering van de stad Emden varen uit geen enkele plaats van deze provincie zo vele en zware schepen als van het eiland Juist! Alleen al 8 grote zeilschepen zijn daarbij en die daarvan naar Indië varen komen met kostbare waren, met porselein en thee terug. In deze tijd neemt het inwoners aantal toe tot 350……. Er is welvaart en als we desondanks over armen horen, dan zijn dat de weduwen van de op zee gebleven mannen ”.

Rond 1720 waren er al 20 scheepseigenaren, in 1782 24, maar in 1798 was dit al weer gekrompen tot 11 en na 1811, de Franse tijd, waren het er nog maar 7.

’s Winters bleven de schepen liggen in de laatste haven waar ze vracht afgeleverd hadden. Dat kon zijn in de "Sielhavens” aan de Oostfriese kust, maar bijv. ook in Dokkum. Vanaf eind november, het begin van het stormseizoen, kwamen de schippers dan naar huis.

Over het dagelijks leven van de Juistenaren en dan men name onze familieleden gaan we verder in het hoofdstuk "Juist: onze familie".   


Links voor Juist:

Wikipedia

Historie van Juist

http://www.juist-bilderbuch.de

Oude Spoorbaan op Juist

Veerboot en strand 1962

Winter 2009

Kurhaus Juist

Juist zomer 1949

Verslag van Onne F. Fisser

Geschiedenis Norderney 1398 -1711

Eindrule

top  
back
 
home