Maritieme geschiedenis en stamboom DE GROOT

 

 

 

De scheepstypen in Oost Friesland

De Oostfriese havens waren alleen bereikbaar bij hoog water en ook dan alleen nog met  ondiep stekende schepen. Platbodems dus. De Oostfriese havens  kende 37 scheepstypen. De meeste daarvan waren gebouwd op één van de vele werven aan de Oostfriese kust, maar ook in Nederland, bijv. Dokkum, liet men schepen bouwen. De Nederlandse en Oostfriese platbodems leken dan ook veel op elkaar. 

De meest voorkomende scheepstypen waren boeiers (vooral in de 16e eeuw), boten (van: Doggboten. Oorspronkelijk schepen waarmee op de Doggersbank gevist werd. De boot stond bekend als een zeer snel scheepstype. Kwam oorspronkelijk uit Stavoren, Hindeloopen en Harlingen), kofschepen, snikken (Kuff en Schnigge in het Duits), tjalken (ontstaan in Groningen), galjoten, schoenergaljoten, smakken, sloepen en schoeners. Typisch voor Oostfriesland was het scheepstype de Ever, die in Nederland nauwelijks voorkwam. Het stond bekend als een Duits scheepstype, maar het is niet onmogelijk dat het oorspronkelijk uit Nederland kwam. Omgekeerd kende men in Oostfriesland de Bom niet, die in Nederland veel gebruikt werd voor de haringvangst ( Katwijk, Scheveningen).  

Ontwikkeling van de scheepstypen

Vanuit onze tijd  geredeneerd gingen veranderingen vroeger langzaam en hebben wij min of meer het beeld dat de tijd stil stond, met de trekschuit als symbool daarvoor. Wat de scheepsbouw betreft , overigens daarvoor niet alleen, klopt dat beeld niet. Door de eeuwen heen is er een continue vernieuwing van schepen zichtbaar en een enorme variatie. Alleen al voor Oostfriesland worden er in haar bloeitijd 37 verschillende scheepstypen geteld.

Dit betreft dus alleen scheepstypen die in de ondiepe Oostfriese Sielhavens konden komen, want dieper stekende, zeegaande  schepen, zoals de fluit en het fregat, kwamen er dus niet. Toentertijd  evenmin trouwens in de, toen, ondiepe havens van Hamburg en Bremen. Wel in Emden.

Hoe is het nu mogelijk dat de zeevaart in Oostfriesland, met haar kleine, ondiep stekende schepen, zo tot bloei kon komen in een tijd dat er op de belangrijkste handelsroute, naar de Oostzee, ook vele diepstekende, meer zeewaardige en grotere schepen op deze route voeren?

Hoe konden de kleine Oostfriese schepen zich handhaven tussen de grote?

Vanaf het midden van de 18e eeuw vond een opvallende verschuiving van scheepstypen plaats. Van grote fluiten en katschepen naar kleinere typen als galjoot, het kofschip en de smak. Beslissend is geweest de stevigere bouwwijze en daarmee grotere zeewaardigheid van deze schepen en het feit dat er goedkoper mee gevaren kon worden.

De platbodems waren langszeilers met een spriet- of gaffelzeil en een fok en waren met een veel kleinere bemanning te bedienen dan schepen met dwarszeilen, zoals de fluit, kogge en het fregat. Een voorbeeld: een driemaster van 200 BRT met dwarszeilen had minstens 14 bemanningsleden nodig maar een boeier van 100 BRT kon volstaan met 5-6 bemanningsleden. Bovendien konden met de platbodems jaarlijks drie Oostzeereizen gemaakt worden tegen één reis per jaar met dwarsgetuigde schepen. En ze staken minder diep waardoor ze direct aan de kades geladen en gelost konden worden en minder havengeld hoefden te betalen, omdat ze kleiner waren.

De grotere schepen, zoals  het fluitschip en het fregat, staken ook te diep voor de havens aan de Oostfriese kust en konden niet manoeuvreren tussen de ondieptes van de Waddenzee. En droog kunnen vallen kon dus ook niet. Het feit dat de dwarsgetuigde, grotere schepen in één keer veel meer lading konden vervoeren woog dus niet op tegen de voordelen van de tjalken, smakken, kofschepen en andere platbodems. En de platbodems werden in de loop van de jaren groter, zoals we ook kunnen zien aan de schepen waarmee onze voorouders voeren. Maar ja, er vergingen er dus ook veel, zoals we eerder schreven.

Voor zover we het na konden gaan voeren onze familieleden met smakken (30, 40, 50 en 60 lasten), snikken (30 en 20 lasten), tjalken (25 lasten) en verder een kofschip, een Muttschif en een schuit. Onderstaand beperken we ons tot een beschrijving van deze scheepstypen.


Het Kofschip (kof, of Kuff)

kofschip model


Dit scheepstype  had twee masten: de  bezaan en de grote mast. 42% van de Oostfriese schepen was een kofschip. Voorloper van het kofschip was de kogge, dat hét schip was van de Hanzetijd. De naam kof is een verkorting van het woord  ‘koopvaardijschip’. Dit type was tussen de 16 en 23½ meter lang, 4 tot 5  meter breed, had een diepgang van 1½ tot 2½ meter en een bemanning van 5 – 12 man. Het ruim mat 40 tot 125 BRT.

De kleinere kofschepen hadden zwaarden. Het scheepstype stamt uit het begin van de 18e eeuw en werd vooral gebruikt voor de vaart op de Oostzee, Engeland, Schotland, Ierland , Noorwegen,  maar ook wel Zuidwest Europa en de Middellandse Zee.

De schepen werden veel gebouwd in de Oostfriese haven, maar zouden oorspronkelijk uit Friesland en Groningen stammen. Door hun bouw dreven ze meer af dan scherp gebouwde schepen. In stormweer konden ze veel doorstaan als ze goed gestouwd en afgesloten waren. Ze gaan er, zogezegd, onderdoor. Met recht volgens het gezegde: “Koffen en smakken zijn waterbakken”.

Met het kofschip werd tot in de 20e eeuw gevaren en er waren een aantal ijzeren koffen. De schepen hadden luiken in de romp waardoor ze boomstammen konden vervoeren, waarvan masten gemaakt werden.  Ze hadden zowel langs- als dwarszeilen en een boegspriet.

De Tjalk

tjalk

Net als de kogge en het kofschip is ook de tjalk van Friese oorsprong. De naam stamt van het oude woord “kjoll” (= schip) en werd in het Fries verbasterd tot “kjal” en zo ontstond uiteindelijk het woord tjalk. De naam werd in de 17e eeuw voor het eerst gebruikt om schepen met een ronde boeg aan te duiden. In Oostfriesland zijn ze bekend sinds het einde van de 18e eeuw.

Dit scheepstype kent vele uitvoeringen en is eigenlijk vooral geschikt voor de binnenwateren, maar vroeger werd er ook veel mee op zee gevaren. Zeker door onze familieleden. Tjalken waren er in vele soorten en dan genoemd naar de streek waar ze voeren. Ze hadden een lengte van 11½ - 19 meter, een breedte van 3¼ - 5½ en een diepgang van 1 – 2 meter.  Het ruim bedroeg 12 – 70 BRT. Ze hadden 1 mast met sprietzeil en na 1820 waren ze gaffel getuigd. Verder ook  een boegspriet en meestal ook een kajuit op het achterdek.


De Smak

Smak

De smak of het smakschip was, voor zover we het hebben kunnen nagaan, het meest voorkomende type schip waarmee onze familieleden voeren, maar ze  kwamen verder in de sielhavens en op de eilanden niet zo heel veel voor, vooral niet meer in de tweede helft van de 19e eeuw, volgens Karl –Heinz Wiechers-. Maar volgens de schrijvers van het boek “Goud uit graan” was de smak dé kustvaarder van de 18e eeuw, omdat hij door zijn beperkte afmetingen en platte bodem diep in het binnenland kon doordringen.

Volgens deze auteurs was de smak ook zeer geliefd bij de Noord-Duitse schippers. In ieder geval wel bij onze voorouders. Dit schip was al bekend sinds het midden van de 15 eeuw en werd wel genoemd “De zuster der koffen” omdat het daarmee veel overeenkomsten had, zoals twee masten, maar een kof had geen en de smak wel een hekwerk. Maar ze waren smaller, slanker en het achterschip hoger dan de kof. Het ruim werd afgedekt door rondgebogen luiken en ze voerden zwaarden of anders kimkielen. De smak had een gaffelzeil en één of twee dwarsscheepse topzeilen, een stagfok en meerdere kluivers aan de boegspriet.  Wiechers noemt ze grote, zeegaande tjalken. Ook van dit schip lag de oorsprong in Nederland, waar er ook veel beschrijvingen van dit schip zijn en waar ze ook voornamelijk gebouwd werden.

P. Le Comte beschrijft in zijn boek de smak als volgt: ”..deze vaartuigen mede onder de zeeschepen behoorende, zijn van verschillende grootte en laden pl.m. van 35 tot 70 lasten of 70 tot 140 tonnen. De equipage bepaalt zich met den kapitein van vijf tot zeven man, ook neemt men voor iedere 12 of 15 lasten een man”. Erg zeewaardig waren ze niet, maar omdat het niet altijd stormde op zee werd er toch veel mee gevaren Meestal liep het goed af. Behalve dan voor eenderde van onze familieleden. De 7 smakken die wij van onze familieleden kennen maten 30, 40, 50 en 60 lasten. Dus ze hadden relatief grote schepen.


De Snik

Snik
Een snik, afbeelding uit: G. Groenewegen,
Verzameling van vierentachtig stuks
Hollandsche schepen
, Rotterdam 1789.

De snik, in het Duits Schnikke. De snik was oorspronkelijk een klein, open, platboomd vaartuig met bezaantuig, rechte vallende stevens op eenlancetvormig vlak en sterke overeenkomst met de schokker en de punter.  
De naam snik is ontleend aan een Oud Germaans woord voor 'klein, snel zeilend oorlogsschip', Middelnederlands en, Middel Nederduits snicke, Oudnoors snekkja, Oud-Engels snacc en behorend tot de woordgroep van 'snoek', waarmee hoekige objecten werden aangeduid. De snik zal genoemd zijn naar zijn scherpe boeg. Door het uiterlijk lag tevens de associatie met het woord snebbe 'snavel' voor de hand. De snik kenmerkt zich door de hellende, smal toelopende voorsteven.
Als zeewaardig zeilschip was de snik vrij log en voorzien van een stompe voorsteven, waardoor de associatie met Schnigge 'slak' ontstond. Zeewaardige snikken waren in de 17e eeuw in gebruik op de Waddeneilanden, en in de havens van (Noord-) Friesland en Groningen.
In de 18e eeuw werd de snik ook populair op Helgoland en in Sleeswijk-Holstein. Deze zeewaardige snikken werden hoofdzakelijk in Dokkum, Leer en Altona gebouwd.
De Noord-Duitse snik  was meer dan 10 meter (42 voet) groot, vrij zwaar van bouw (circa 40 ton) en een volle kop, met steile licht gebogen steven, een doorlopend dek, en een bun, om de gevangen verse vis naar stedelijke markten te kunnen transporteren. Aan de voorste mast voerden zij een spriettuig met fok en kluiver, aan de bezaan een driehoekig zeil met boom. Afbeeldingen tonen een rond gebouwd, tjalkachtig vaartuig.  Veel snikken hadden op het achterschip een vaste roef. In de achttiende eeuw verbreidde het scheepstype zich naar de Waddeneilanden en de visserijhavens Nordeney, Bremerhaven-Lehe en Helgoland.  In de negentiende eeuw werden de snikken afgelost door sneller zeilende schepen In Sleeswijk-Holstein  bleef het scheepstype echter nog enige tijd in gebruik bij de vrachtvaart, met name in de vorm van de Helgoländer Schnigge of Eiderschnigge, in de volksmond ook wel Kuff genoemd. Dit type boot werd bij windstilte voortgetrokken door zogenaamde Maliepaarden. Dit type schip werd voornamelijk aan de Eider gebouwd en daar noemde ze het schip Holländer.


De Mutte of Muttschiff

De Mutte was een van de kleinste zeegaande zeilers in Oostfriesland. Voer vooral op rivieren en kanalen en werd veel gebruikt in het  veengebied van Oostfriesland. De grotere voeren ook op de Weser en de Elbe. Ze onstonden in de 17e eeuw. Vlakke schepen met zwaarden en gaffel getuigd. In de 19e eeuw werden ze ook met een bezaanmast  gebouwd.
Oorspronkelijk had de Mutte een lengte van 11-14 meter, waren ze 2,5 – 3,5 meter breed en hadden een diepgang van 0,75 - 1,25 meter.  In het midden van de 19e eeuw werden ze  gebouwd tot 18 meter lang en maximaal 4,5 meter breed met een ruim van 30 BRT. De ronde Mutte heette Muttschiff en de spitse typen Mutte. Kenmerkend voor de Mutte was dat ze smal waren in verhouding tot hun breedte,  een vlakke bodem en een ronde kim.


De Ever

Ever
de ever "Petrine" in 2011



Dit scheepstype bestaat al sinds de Middeleeuwen, met of zonder bezaanmast.

Zie wikipedia >> , en het boek " Die Ever der Niederelbe" van Hans Szymanski: part 1 >> en part 2 >>


Part 1


Part 2

 


De Fluit

model Fluit

De fluit (Fleute in het Duits) was hét vrachtschip van de 17e eeuw. Er zijn er duizenden van gebouwd. Ook nog in de 18e eeuw. Vergelijkbaar met hét vrachtschip  van deze en de 20e eeuw: het containerschip. Anno 2011 is het grootste containerschip 260 meter lang en kan 14.000 containers met een lengte van 32 voet ( 9,60 meter) vervoeren. Ter vergelijking: Het laadvermogen van de fluit lag tussen de 200 en 400 ton en de lengte varieerde van 110 – 130 voet (31 – 36 meter). En de nieuwste generatie binnenvaartschepen anno 2010 meet 3000 ton.

De fluit was in Nederland ontwikkeld (eind 16e eeuw in Hoorn) en kenmerkend was z’n smalle dek en bolle wanden. Dit was omdat tot 1671 er op de Sont tol betaald moest worden afhankelijk van de maten van het dek. Een smaller dek betekende dus dat er minder Sonttol betaald hoefde te worden. De fluit zoals die naar de Oostzee voer kon al varen met een bemanning van 10 – 12 man.  Een Engels schip van dezelfde grootte was bemand met ongeveer 30 koppen.

De fluit werd in andere landen dus al snel nagebouwd. In 1618 liep in Lübeck het eerste Duitse fluitschip van stapel. De fluit voer over de hele wereld en er waren 8 typen te onderscheiden. De “Noortsvaerders” voeren naar Noorwegen en in de zomer ook naar Rusland.  Ze hadden in het achterschip een afsluitbaar luik voor het vervoeren van hout, dat gebruikt werd voor het maken van masten. De “Oostervaerders” voeren op de Oostzee. 

De fluit dat het meest voorkomende scheepstype was van de 17e een groot deel van de 18e eeuw, was vanwege zijn lengte en diepgang (ruim 3 meter) niet te vinden in de havens aan de Oostfriese kust, met uitzondering van Emden.

 

 

 EINDRULE

 

top back home

 

 

^